BEGELEIDEN

 

Omschrijving van bibliodrama

 

Het begrip

In het woord 'biblio-drama' verwijst het woord 'biblio' naar 'boeken' en meer specifiek naar de bijbelboeken.

Het woord 'drama' betekent letterlijk: handeling of gebeuren.

In het bibliodrama gaat het om het spelenderwijs tot leven brengen van een bijbeltekst(fragment).

In het bibliodrama gaat het om het in actie (om)zetten van een bijbeltekst(fragment).

Het uitspelen, het dramatiseren van een bijbelverhaal gebeurt door inleving, uitbeelding, spel, dialoog, rolverkenning en hanteert werkvor­men uit psychodrama, sociodrama en theater.


Bij uitbreiding is bibliodrama een methode om niet alleen bijbelteksten maar ook breed levensbeschouwelijke boeken en verhaalteksten uit vele culturen te doorleven en te actualiseren.

Basiswerkwijze

De deel­nemers kiezen vrij naar eigen aanvoelen een personage uit een verhaal en geven dit met eigen lijf en leden gestalte 

Hierbij handelt het niet om het letterlijk naspelen van een verhaal, evenmin om het tot expressie brengen van opgelegde  en voorgeprogrammeerde rollen. Het is geen toneel.

De spelers maken 'naar eigen inzicht en beleving' gebruik van elementen uit de tekst.

Hun verhaalpersonage of situatie wordt ingekleurd door hun eigen verstaanswijze.

De verhaalfiguren worden mede vorm gegeven door de eigen persoonlijkheidskenmerken en verhoudingswijzen van de speler,

diens eigen waarden, twijfels, verlangens, oriëntaties of inspiraties.

Dit gebeurt in interactief samenspel met andere spelers en hun invulling, begrip en uitvoering van elkaars roldoorleving.

Doorheen de spelbelevingen en handelingen van de deelnemers wordt het verhaal geactualiseerd herschreven.

De gestolde betekenissen van de verhalen komen tot leven.

Het verhaal zelf wordt doorleefd, verbeeld, verruimd en verdiept en geïnspireerd doorheen het spel.

Diepere lagen van het leven van de deelnemers worden aangesproken.

Heel de mens komt aan bod van top tot teen, in hart en ziel, lichaam en geest...

Het bibliodramaspel is 'open' interactief. Iedereen kan er aan meedoen. Alle interpretaties kunnen er verkend worden. Alle gezindheden kunnen er met elkaar in communicatie treden, in wederzijds respect van elkaar. Bibliodrama is in wezen inter-levensbeschouwelijk.

 

Het bibliodramagebeuren wordt bemiddeld door een spelbegeleider die de open communicatie bewerkt en verzekerd.

Hij helpt de spelers uitdrukking te geven aan hun zinvinding en zingeving in samenspel met de groep binnen de interpretatiecontext van het verhaal, de tekst.

 

Het heeft als opzet om de actualiteit (zowel de persoonlijke als de maatschappelijke) te verruimen en te verdiepen in contact met de tradities. En omgekeerd: de tradities verrijken met de eigen actualiteit.

 

Na het spel volgt als wezenlijk onderdeel van bibliodrama de 'uitwisseling'.  Hier wisselen de deelnemers hun spelervaringen uit en ook de relaties en verbanden die ze in het eigen leven herkennen, in functie van het meer bewustwording, identiteit en levensoriëntatie. De gespeelde betekenisvelden worden nadien terug met de oorspronkelijke verhaaltekst in gesprek gebracht.

 

Vele speelwijzen en methodieken

Er zijn vele doelen, methoden, speelwijzen en vormen in bibliodrama. Er is persoonsgericht of meer groepsgericht bibliodrama; bibliodrama waarin het verhaal centraal staat of meer het persoonlijk leven; bibliodrama die de de levensbeschouwelijke overtuiging en de gemeenschapsontwikkeling tot doel heeft of zich opent op elke levensbeschouwing of interreligieuze communicatie. Er is bibliodrama in therapievorm of uitgewerkt als een theater en zelfs beide zoals in ‘Playback bibliodrama and theater’. Er is bibliodrama en dans, bibliodrama en weven, bibliodrama en schilderen... voor kinderen en jongeren, voor volwassenen of ouderen.

In Europees verband worden de vele ontwikkelde methodieken aan elkaar doorgegeven tijdens de jaarlijks vierdaagse samenkomsten. Europees Bibliodrama Netwerk (EBN)

 

Meer toelichting over de achtergronden en praktijk van bibliodrama:  Zie Boeken :  >> Naar Boeken

 

 

 

Algemene werkwijze van bibliodrama

​​Bibliodrama kent vele methoden, spelvormen, speelwijzen en doelen.

We stellen hierbij een meer algemene werkwijze voor zoals die uitvoering krijgt in meerdere concrete werkvormen.

Een kort beeld wordt geschetst van de structuur en opbouw van een bibliodramaspel.

De voorbereidende oefeningen, de aanloop tot het spel, de uitdiepende handelingen tijdens het spel, variaties en tussenkomsten van de begeleider evenals de begeleidende nawerking blijven hierin onbesproken.

 

1. De bijbeltekst wordt gelezen

In bibliodrama wordt uitgegaan van de verhaaltekst zelf. Deze wordt bij het begin van het spel voorgelezen.

In meer persoonsgerichte methoden wordt uitgegaan van de ‘herinnering’ aan de bijbeltekst van één van de deelnemers.

 

2. Eerste reacties bij de tekst.

Een kort gesprek om eerste reacties en indrukken bij het horen of lezen van de tekst op te vangen is aangewezen.

Gevraagd wordt naar wat is opgevallen, wat stoort of wat niet goed begrepen is...

Bij onbegrip over tekstfragmenten kan toelichting gegeven worden door de andere deelnemers.

Ze vertellen hoe ze het verhaal verstaan, vullen elkaar aan en corrigeren elkaar waar nodig.

Enkel bij compleet foute informatie is corrigerend tussenkomen als begeleider wenselijk.

 

3. De verhaalpersonages (rollen) in het verhaal benoemen

De begeleider bekijkt samen met de deelnemers de verschillende ‘rollen’ die in het verhaal voorkomen. Rollen zijn personen, dieren of voorwerpen, soms ook begrippen die in een tekst voorkomen, zoals bijvoorbeeld in de bijbel: Eva, Abraham, Mozes, Maria, Jezus, de mensen, farizeeën, vissers, boten, ezelsveulen, kruis…

Het opsommen van de rollen is nodig opdat iedereen de verschillende inleef- en spelmogelijkheden goed ziet.

Als een verhaal beluisterd wordt, hoort men meestal erg selectief.

De diverse rollen onder de aandacht brengen helpt bij het zich plaatsen in het gehoorde verhaal.

Bij een tweede lezing ontstaat zo een meer gerichte aandacht.

 

4. Het herlezen van de tekst.

Iemand herleest de bijbeltekst en vraagt de spelers deze te beluisteren met extra aandacht voor de rollen waarmee gespeeld zal worden. Ze beluisteren de tekst in functie van het zich laten aanspreken door een bepaalde rol uit het verhaal. Dat gebeurt het best vanuit het gevoel, vanuit het hart en niet enkel vanuit verstandelijke overwegingen.

 

5. Inrichting van de spelruimte

De begeleider duidt het speelveld aan en geeft er de beginpositie van de verschillende rollen een plaats.

 

6. Het kiezen van een rol.

De deelnemers aan het spel worden gevraagd een rol te kiezen en op het speelveld plaats te nemen. Meerdere spelers kunnen een zelfde rol spelen. De begeleider ondersteund het keuzeproces.

 

7. Rolinleving en het begininterview

Na de rolkeuze leven alle deelnemers zich in de gekozen rol in en nemen daarbij een gepaste houding aan. De spelers trachten zich daarbij zo levendig mogelijk de eigen rol en de situatie waarin ze zich bevinden voor te stellen. De begeleider start het spel met het begininterview van alle deelnemers. Zodat de spelers zich meer versterkt hun rol eigen maken en voor iedereen duidelijk wordt met welke personages en hun rolinvulling er gespeeld wordt.

 

8. De interactiefase

Onmiddellijk na het begininterview start de interactiefase van het spel. Dit omvat in de meeste spelvormen het grootste deel van het spel. De begeleider zorgt dat alle deelnemers met elkaar in gesprek en in levendige interactie kunnen gaan. De spelers zijn vrij naar eigen inzicht te handelen op het speelveld. Het spel verloopt zoals beschreven in de gekozen spelvormen, maar wel volgens de eigen invullingen van de spelers. De begeleider regelt het interactieverkeer. Hij zorgt voor een ordentelijk verloop maar grijpt niet inhoudelijk in. Hij brengt wal de spelers in contact met de diverse aspecten uit het verhaal en met de eigen inbrengen van de spelers tijdens het spel.

 

9. Afronding van het spel

Rekeninghoudend met de tijdsduur, het doel van het spel en de betrokkenheid van de spelers, kiest de begeleider een goed moment om het dramatiserend deel van het bibliodrama af te ronden. Hij nodigt alle spelers uit tot het geven van een laatste reactie in hun rol. Daarna vraagt hij allen de gespeelde rol af te leggen en weer de eigen identiteit op te nemen. Lichamelijk hieraan uiting geven door de rol van zich af te schudden is daarbij vaak helpend. Een sterk doorleefde rol leg je niet zomaar naast je neer.

 

10. Uitwisseling na het spel

In de uitwisseling wordt bewust naar verbindingen gezocht tussen het verhaal, het spel en de levensrealiteit.  De spelers worden uitgenodigd om aan elkaar te vertellen wat ze doorheen het spel in hun rol beleefd, gevoeld of gedacht hebben wat niet in het spel ter sprake is gekomen.

Daarna wordt hen gevraagd te vertellen welke verbindingen ze ervaren hebben met hun eigen leven, de maatschappij, hun levensvisie, hun geloof…. Verder kan de uitwisseling gericht worden op de gekozen doelen of het thema van het spel.

 

11. Het (her)lezen van de bijbeltekst

Het bibliodrama wordt afgesloten met het lezen van de bijbeltekst. De gespeelde situaties worden weer in het (tegen)licht van de bijbeltekst geplaatst. Verleden (de bijbeltekst) en heden (de spelervaringen) worden ter overweging naast en in elkaar geplaatst. De spelers kunnen aangeven wat hen in deze fase van lezing en beluistering nog is opgevallen bij de bijbeltekst. Zo vertrekt en eindigt bibliodrama bij de bijbeltekst.