WERKVORMEN

Model

Omschrijving

De menselijke personages in een verhaal treden meestal duidelijker op de voorgrond dan voorwerp of een dier. Deze laatsten ondergaan meestal het gebeuren. Misschien is het vanuit bijbels oogpunt daarom zo boeiend om deze ‘verhaalfiguren’ onder de aandacht te plaatsen omdat bijbelverhalen juist handelen over personages die het gebeuren telkens weer moeten ‘ondergaan’. Uitgeslotenen, naamlozen, onderdrukten…  waarnaar niet wordt omgezien, die niet meespelen in het verhaal van het leven.

Om een verhaal vanuit een ander perspectief te bekijken is een minder voor de hand liggende kijk innemen vaak helpend. De ‘woestijn’ vertelt over haar bedreigingen of wat de Israëlieten hebben meegemaakt tijden de doortocht.  De 'boot' vertelt hoe het in de storm Jezus en z’n leerlingen draagt. De 'kruimel brood' vertelt wat het betekent naast de tafel van een rijke te vallen… 

Een voorwerp uit een verhaal spelend tot leven laten komen en het taal en verhaal laten krijgen is een boeiend gebeuren.

De voorwerpen en dieren zijn evenwaardige personages met de andere verhaalfiguren en spreken een zelfde taal als de menselijke personen. Dus geen 'geblaat' als schaap, geen 'gebalk' als ezel. Gewoon, wat zouden ze zeggen in mensentaal als ze konden spreken. In die zin kunnen ze in een bibliodrama spel ook in beweging, in actie komen, ook al zouden ze dat in realiteit niet kunnen. 

 

De keuze van het voorwerp waarmee men speelt kan om vele redenen uitgekozen worden.

  • Omdat het in een gekozen (bijbel)verhaal voorkomt en één van de mogelijke rollen is waarmee gepeeld wordt: het schaap bij het offer van Isaak, de onvruchtbare vijgenboom…

  • Omdat het een wezenlijk onderdeel van het verhaal uitmaakt. Zoals bij de parabels van de parel, de talenten, het zaad…  

  • Omdat het een eigen bijbels perspectief inhoudt. Bijvoorbeeld: de ezel bij het intocht verhaal,  het gebroken brood bij het laatste avondmaal…

  • Omdat het een ‘thema’ is waarrond wordt gewerkt: vb stenen, bomen, licht, kleding…

  • Omdat het een onderdeel van een thema is of er symbool voor staat Voorbeeld: ‘schoenen’ in het thema ‘onderweg zijn’, ‘zaad’ in het thema ‘groeien’…

 

Het voorwerp kan in het spel gevisualiseerd worden of gesymboliseerd een plaats krijgen in de spelopstelling. Bijvoorbeeld: Een blauwe doek geeft de rivier (de Jordaan), het meer (van Gallilea), de waterput... aan. Een brandende kaars geeft het licht aan, een stel, een vuurzuil... Stenen geven de weg aan, een rots, een berg...

Het 'gesprek met, (tot), (als) een voorwerp' kan diverse vormen aan nemen en kan ingebed worden in andere werkvormen.

 

Doelen

Spreken over de betekenis van een voorwerp (schoen)

Als menselijk personage spreken met een voorwerp en luisteren naar diens betekenis, zelfverstaan, rol...

Als (menselijk) verhaalfiguur iets zeggen vanuit zichzelf tegen een voorwerp over diens betekenis voor zichzelf (als verhaalfiguur)

 

Zich inleven in een voorwerp behorend bij een verhaalsituatie of bij een verhaalfiguur.

Als voorwerp spreken over jezelf en je ervaringen, over een situatie waarin je verkeert.

Als voorwerp spreken over de persoon bij wie dit voorwerp hoort (jezelf of een verhaalfiguur).

Vanuit een deel, een aspect ( het kleed van, de schoenen van…) spreken over het geheel van de situatie, persoon...

Vanuit een bepaalde positie als voorwerp een eigenzinnige kijk geven op een verhaalpersonage of situatie.

Een bijbelverhaal of een ander levensbeschouwelijk verhaal verkennen vanuit een voorwerp dat hoort bij een verhaal(personage)

 

Leren spreken vanuit het perspectief van iets (iemand) anders

Leren vragen stellen aan elkaar. Symbooltaal hanteren

Vanuit een deel, een aspect (de schoenen van…)spreken over het geheel

Vanuit een bepaalde positie een eigenzinnige kijk geven op een personage of situatie.

Beluisteren wat anderen er in ontdekken

Houdingen van anderen overnemen en zich trachten te verplaatsen

Bewust worden van de relatie tussen de gekozen bijbelfiguur en aspecten uit het eigen leven of de omgevende realiteit.

 

Spelverloop 1. 

Gesprek met een voorwerp

1. Een voorwerp uit een verhaal of tekst wordt centraal in de ruimte een plaats gegeven.

Dat kan een reëel voorwerp zijn dat rechtstreeks verwijst naar het voorwerp in het verhaal

Voorbeeld: een munt verwijst naar de verloren munt in een parabel,  zaden verwijzen naar de parabel van het zaad.

Het voorwerp kan gesymboliseerd worden door een ander voorwerp. Voorbeeld: een steen staat voor een rots of een berg, een vaalgele doek verwijst naar de woestijn, een stel kaarsen symboliseren het brandend braambos...

2. De spelers stellen zich op tegenover het voorwerp, hun houding en plaats geven iets van hun verhouding tot het voorwerp aan.

De houding tegenover het voorwerp drukt de betrokkenheid uit. Iemand staat ver van het voorwerp, draait de rug er naar toe, steekt de hand er naar uit. 

3. De spelers stellen een vraag, geven een verzuchting aan, geven een intentie weer, drukken een frustratie uit... aan het voorwerp.

4. De begeleider vraagt aan de speler of het voorwerp (in verbeelding) iets terug zegt.

5. De speler vertelt wat het voorwerp eventueel terug zegt.

6. Alle spelers zeggen of vragen iets en beluisteren en verwoorden het mogelijk antwoord

7. Na het spel komen de spelers samen in een kring en wisselen ze met elkaar hun belevingen, associaties uit

en zoeken ze samen naar verbindingen met het eigen leven.

Meer informatie over de  uitwisseling: >>Zie Begeleiden Uitwisseling

 

Spelverloop 2. 

Gesprek als een voorwerp

1. Een voorwerp uit een verhaal of tekst wordt centraal in de ruimte een plaats gegeven. (Zie ook spelverloop 1.1.)

Mogelijk kan elke speler een eigen voorwerp op een eigen wijze een plaats geven in de ruimte. Bijvoorbeeld: een doek, steen, schoen, lamp, kruik, beker, stuk hout... in een hoek , aan de rand, het midden van de ruimte, verborgen onder iets in, of ergens bovenop ten toon gesteld.

Mogelijk kan de begeleider vragen met woorden de opstelling toe te lichten. Voorbeeld: Vertel eens over

het voorwerp, hoe ziet het er uit.? Waar bevindt het zich? Wat heeft het meegemaakt…

Het staat ver van… dichtbij… omdat….?  

2. De speler stelt zich op dichtbij het voorwerp (staand, zittend liggend...) en leeft zich in, in het voorwerp en diens betekenis

(mogelijk in een verhaalcontext)

3. De spelleider vraagt aan de speler te vertellen wie of wat hij/zij is en wat er beleefd en ervaren wordt.

4. De speler vertelt als voorwerp over zichzelf en z'n betekenis, rol (in het verhaal)

5. De begeleider ondersteunt de inleving en het gesprek mogelijk met helpende of verdiepende vragen

Voorbeeld : Je bent de steenrots waarop Petrus zijn kerk bouwt, je bent het zaad dat ligt uit te drogen in de zon..., vertel eens hoe het voor jou om steenrots, zaad in de zon te zijn... hoe voelt dat...?

Van belang is deze houding ook te bevragen. Voorbeeld: je staat zo ver weg, is daar een reden voor? Je bent verstopt? Wil je niet gezien worden of heeft iemand je weggestopt. Vertel er eens over?

6. De begeleider vraagt na het gesprek aan de speler om uit de rol te stappen, de rol van voorwerp af te leggen

en een andere plaats in de ruimte in te nemen. Dan is het de beurt aan een andere speler om zich in te leven en zich als voorwerp uit te spreken.

7. Als iedereen gespeeld heeft is er tijd voor de uitwisseling aan belevingen en ervaringen opgedaan tijdens het spel.

Tijd en ruimte om associaties met de eigen leefwereld met elkaar te delen.

Meer informatie over de  uitwisseling: >>Zie Begeleiden Uitwisseling

 

Spelverloop 3. 

Een voorwerp in een andere werkvorm

1. De verhaaltekst wordt gelezen. Eerste belevingen, overwegingen bij de tekst worden kort uitgewisseld.

2. De doelen en de werkwijze worden toegelicht

3. De personages uit het verhaal waarmee gespeeld wordt krijgen een plaats in de ruimte aangegeven.

Ook een voorwerp of dier krijgt een plaats als personage in het bibliodrama spel.

Voorbeeld: de 'ster' in het geboorteverhaal van Matteus, de berg Tabor, de Jacobsladder,

de stenen tafels (Mozes), de weg, de kudde schapen, de jas van profeet Hodja, de boom waaronder de Boeddha mediteert...

Ze zijn evenwaardige personages met de andere figuren in het verhaal.

4. Elke speler verteld kort wie hij of zij is, hoe de eigen situatie beleefd wordt, wat de intenties zijn...

Ook de spelers die een voorwerp of een dier als rol gekozen hebben doen dat. Voorbeeld: "Ik ben de ster van Bethlehem, ik heb geprobeerd de blikrichting van de schriftgeleerden te wijzigen, ze lezen teveel 'wat er staat' in plaats van 'waar het om gaat'. Ik denk dat ik in het oosten eens op zoek ga naar meer wijsheid."   "Ik ben de put die het water voor de Samaritaanse vrouw in zich draagt. Ik zou eigenlijk ook wel 'het levende water' waarvan Jezus spreekt in me willen voelen, en uitdragen aan anderen." Ik ben de dagelijkse jas van Hodja waarmee Hodja niet gewenst was, ik wou dat hij mij aangehouden had.

5. De spelers die een voorwerp spelen, spelen in het verdere verloop van de werkvorm hun rol op een zelfde wijze

als de andere spelers die 'menselijke' rollen doorleven.

Aandachtspunten

 

Vanuit het oogpunt van het ‘dramatiseren’ lijkt het spelen van menselijke figuren veelal gemakkelijker dan het spelen van voorwerpen. Je als speler verplaatsen van de ene mens naar een ander is bevattelijk en lijkt logisch. We zijn er vertrouwd mee. Zich verplaatsen in een dier of een voorwerp lijkt dat al veel minder. Een dier spreekt geen woorden tenzij in wat hunkerende of jammerende geluiden en je als mens verplaatsen in een rots, het water, een kruimel brood  lijkt al helemaal ‘stom’. Wellicht is het spelen van een voorwerp niet het eerste wat men best met beginnende spelers aanpakt. Toch is het een uitstekend middel bij het dramatiseren van (bijbel)verhalen.

Spreken als een voorwerp vraagt een perspectiefwissel. Spelers kunnen soms terugvallen in een 'spreken over het voorwerp' in plaats van 'spreken als het voorwerp. Snel kleine helpende correcties aanbrengen wanneer iemand uit de rol valt en als zichzelf ‘over’ het voorwerp gaat spreken. Geruststellen, veiligheid bieden,  door te zeggen dat het niet geeft, niet vanzelfsprekend is  als een voorwerp te spreken... en de speler weer op het spoor zetten: voorbeeld: "je bent een zaadje, de steenrots, de jas van Hodja, vertel eens verder hoe beleef je de situatie, wat heb je gedaan."

TOEPASSINGEN

Voorwerp: Schoenen

 

1. Verkennende werkvormen

1. Opwarmingsspel:  Vertellen over de eigen schoenen en als je eigen schoenen

 

Kan gebruikt worden als een aanloop, als gewenning, als eerste verkenning van het thema.

Als onderdeel in het leerproces van leren dramatiseren…

 

Iets vertellen over de eigen schoenen.

Vragen stellen aan elkaar over elkaars schoenen. 

 

Als schoen in één of twee zinnen vertellen waarom je vanmorgen uitgekozen werd tussen de anderen.

Voorbeeld: ‘Ik ben van ’s morgens tot ’s avonds de enige schoenen van Jesse, hij heeft geen andere schoenen, hij wil geen ander, zonder mij kan hij niet. ‘Ik ben de lievelingslaarsjes van Lotte omdat ik zo zacht ben, een streling voor haar benen en voor het oog’.

 

2. Kennismakingspel:  Schoenen laten spreken over de situatie of figuur waar ze bijhoren.

 

De spelers vertellen als schoenen van henzelf over hoe zij hun schoen zijn van... beleven. Ze vertellen over de band die ze hebben met elkaar,  over wat ze hebben meegemaakt, wat ze (de schoenen) betekenen voor hen (de speler), over wat hun ter harte gaat, over een pijnlijk of cruciaal moment in hun leven, over hoe recht hij/zij in de schoenen staat enz..

Voorbeeld: ‘Als stevige bottine zie ik er altijd stoer en mooi opgeblonken uit,  ik ben zoals zij wil zijn, een dappere meid.’ ‘Ik ben uitgekozen omdat ik er zo gezellig en elegant uit zie. Hij houdt van knusse, zalige momenten met z’n vrienden, hangend en pratend in de zetels.’

 

3. Schoenen met een verhaal.

Een paar geschilderde schoenen van Van Goch bekijken en samen hun geschiedenis proberen te vertellen. Als schoenen van Magritte iets over hun betekenis vertellen. Enkele verschillende  schoenen  bij elkaar schikken eer goed naar kijken, je laten be-indrukken en er een verhaal over fantaseren.

 

4. In de schoenen van een ander.

Uit een reeks veelheid van schoenen: kinderschoenen, pantoffels, sportschoenen allerlei, feestschoenen, botten, laarsjes, klompen, slippers, mocassins, dansschoenen, sneeuwschoenen, sandalen….in diverse kleuren, soorten en maten…één paar schoenen kiezen dat je aantrekt.

Tijd nemen om deze schoenen te verkennen voor jezelf. Wat roepen ze op aan associaties, herinneringen, betekenissen. Welke sfeer roepen ze op, welke plaatsen, tijden, situaties, mensen…

 

De schoenen op een eigen wijze op een eigen plaats in de ruimte schikken, eventueel aangevuld met enkele kleine andere attributen, zodat ze op één of andere wijze iets uitdrukken voor jezelf. In  (of heel dicht naast) de schoenen gaan staan en je inleven in de situatie van deze schoenen ( mogelijk ook in degene die ze draagt (er naast staat).

 

Als schoenen iets vertellen over de situatie of het gebeuren waaraan men uitdrukking geeft.

 

 5. Het verhaal van de schoenenboom

Midden in een dor stuk land aan de rand van de woestijn staat een boom, vol met schoenen omgeven.

Bekijk de foto nauwkeurig en beeld je in wat hier kan gebeurd zijn.

Stel hierover vragen aan elkaar en fantaseer zeer diverse mogelijkheden.

 

Kies voor jezelf een paar schoenen uit  en verbeeld je hoe die onderweg zijn gegaan naar die boom.

Ontwikkel voor jezelf een heel verhaal. Vertel het alsof jij die schoenen bent die dit allemaal meemaakt.

Wat voor schoenen ben je? Beschrijf hun vorm, kleur, soort, betekenis…

Waarom zijn de schoenen ze vertrokken? Alleen of met velen? Wat hopen ze te vinden?

Hoe gaan ze daar naartoe? Gericht of op goed vallen uit, gedreven of met tegenzin? Is de reis moeilijk of gemakkelijk?

Waar dromen ze van en wat maken ze mee onderweg…?

6. In de schoenen van een (bijbel)verhaalfiguur.

Leef je in, in de schoenen van één of ander bijbels figuur die je aanspreekt en vertel als schoen waarom je naar hier gekomen bent.

Voer als schoenen en gesprek met elkaar over de reden van deze komst, of over hun ervaringen in hun eigen situatie.

Eva, Noach, Jesaja, Hagar, Ruth, Salomon, Maria Magdalena, Judas, een wijze uit het oosten, de dochter van Jaïrus….,

de overspelige vrouw, de genezen lamme…

Het kan ook een ontmoeting worden van sterke (verhaal)figuren uit de religieuze wereldliteratuur.

Mohammed, Boeddha, Jezus, Hercules, Venus, Maria, Laksmi, Sokrates...

aangevuld met figuren uit de hedendaags culturen Nelson Mandela, Zuster Jeanne...

Meer informatie en begeleiding suggesties bij deze werkwijze: zie werkvorm Rolinleving >> Naar Werkvorm Rolinleving

7. Uitwisseling van belevingen en ervaringen

Na elke werkvorm, of na enkele werkvormen de beleefde ervaringen en associaties met de eigen leefwereld aan elkaar uitwisselen

Meer informatie over de  uitwisseling: >>Zie Begeleiden Uitwisseling

TOEPASSINGEN (VERVOLG)

Voorwerp: Schoenen

 

2. Verdiepende werkvormen

 

1. Schoenen in een (bijbel)verhaal.

De voorwerpen (schoenen) komen expliciet voor in verhalen (al of niet betekenisvol).

Voorbeeld: de sandalen van Mozes (bijbel), de sandalen van de leerlingen in Mt. 10,10 of Mc. 6,9,

de laarzen van de Gelaarsde Kat of van Klein Duimpje (sprookjes).

De schoenen van de schoenlapper tijdens zijn bedevaart (moslimverhaal).

De schoenen kunnen tijdens het spel vertellen vanuit hun perspectief over de figuur waar ze bijhoren,

ze geven aan welke betekenis ze hebben, hoe ze de situatie beleven…

 

Er kan ook gespeeld worden met voorwerpen die niet expliciet genoemd worden in het verhaal, 

maar wel kunnen geassocieerd worden bij de verhaalrollen.

De schoenen van een bergbeklimmer.  Het schoeisel van een pelgrim.

De sandalen (de voeten) voor en na de voetwassing (verhaal van het laatste avondmaal)

Het schoeisel (de voeten) van Jezus na het balsemen met dure olie.

Het schoeisel van Abraham, Ibrahiem tijdens zijn tocht.

Er kan gespeeld worden met en vanuit een voorwerp (schoen) van waaruit je een bepaald bijbels figuur belicht.

 

Spelwijzen

Alle spe(e)l(st)ers nemen een zelfde rol (uit een verhaal) aan maar spelen deze op eigen wijze, met een eigen invulling.

Iedereen speelt de schoenen van diverse personen (uit een zelfde verhaal).

Iedereen speelt de schoenen van figuren uit diverse verhalen

 

2. Schoenen passend bij  een verhaalfiguur

 

Spelsituatie:

Zoek twee schoenen, uit de reeks schoenen die hier uitgestald staan, die iets vertellen over een bijbels personage dat je om één of andere reden op het lijf geschreven is of waar je je toe aangetrokken voelt. Leef je even in de bijbelfiguur in en neem bij die schoenen een houding aan die iets wezenlijks daarvan uitdrukt. Plaats de schoenen die je meegenomen hebt zodanig dat ze iets uitdrukken van de geschiedenis, de beleving de associatie die je hebt met deze schoe­nen. Gebruik diverse materialen om dit tot uitdrukking te brengen.

 

 

Werkwijzen:

1. : Schoenen vertellen iets over je eigen persoon

Ieder stelt zichzelf als bijbelfiguur voor a.d.h.v. haar/zijn schoenen.

Ieder mag tijdens deze ronde vragen stellen aan de anderen.

2. : Uitwisselingsgesprek

Ieder mag twee vragen stellen aan de schoenen van een ander maar vanuit de rol van de eigen schoen,

het antwoorden dient te gebeuren vanuit de rol van de schoen.

Vertel als schoen aan een andere wat je sterk aangesproken heeft.

3. : Inleving in een (bijbels)personage (van je zelf en van een ander)

Elk om beurt neemt een kernhouding aan van zijn/haar bijbels personage

Drie ander deelne(e)m(st)ers nemen deze houding over (één na één) en versterken die telkens een beetje meer.

Elk van die figuren doet een korte uitspraak vanuit hun houding.

Daarna laat de eerste zijn/haar houding los en komt kijken naar de drie andere, gevolgd door een korte uitwisseling.

Noteer mogelijk wat je gezegd hebt in de rol, wat je bijgebleven is van anderen, wat je gezien hebt bij het bekijken van de rol die werd verstrekt, wat je in de uitwisseling hebt opgeraapt...

4. : Inleving van iedereen in een zelfde rol van een verhaal.

Iedereen speelt het schoeisel van ‘de leerlingen van Jezus’ die op tocht zijn geweest en terugkomen bij Jezus en hun verhaal doen. (Mc. 6,9)

Ieder speelt de schoenen van de leerlingen die niet mee mogen op tocht geven aan wat dat voor hun dragers mogelijk kan betekenen.(Mt. 10,10)

TOEPASSINGEN (Vervolg)

Voorwerp: Schoenen

 

3. Bijbelverhaal: Mozes

1. Situatie 1: Mozes hoedt de kudde

- Mozes in confrontatie met de stem en het braambos: ‘doe je schoenen uit want deze grond is heilige grond’.

- Het kader van het verhaal wordt verteld en eventueel toegelicht.

- De tekst van de godsontmoeting wordt gelezen.

- De spelwijze toegelicht.

- Speelwijze:

Op het speelveld is met een kaarslicht het brandend braambos aangegeven en met enkele stenen of een touw een soort ‘heilige ruimte’ er rond afgebakend.

Iedere deelne(e)m(st)er neemt de eigen schoenen of een paar andere naar keuze als ‘schoenen van Mozes’.

Ieder plaatst de gekozen schoenen op een voor haar/hem betekenisvolle plaats  in relatie tot het ‘braamboos, de heilige ruimte daaromheen en de woestijn er rond. Afstand en nabijheid, richting en plaatsing van de schoenen geven mee de betekenis aan.

Zich inleven in het schoeisel van Mozes in de aanwezigheid (van ver of nabij) van het goddelijke.

Ben je als schoeisel door Mozes uitgedaan? Bevind je je nog aan zijn voeten…? Waarom doet Mozes de schoenen (niet) uit? Hoe voelt dat als schoen? ….

De schoenen vertellen verder wat er door Mozes heen gaat tijdens de godsontmoeting. Wat hij beleeft, denkt, zegt….

De begeleider interviewt de schoenen van Mozes, de speler (als schoeisel van Mozes) antwoord.

Meer informatie over de aanpak van een interview: >> Naar Werkvorm Interview

 

2. Spelsituatie 2.  Het weg gaan van de heilige grond

- Na het heengaan van de heilige grond na de ontmoeting met het goddelijke

worden de schoenen van Mozes opnieuw gevraagd wat er met hen en met Mozes is gebeurd.

Voelt het als schoenen nu anders dan tevoren. Wat gaat Mozes nu doen? Waar gaat hij heen?

Wat gaat hij van het gebeuren vertellen tegen zijn vrouw en zijn familie.

Welke raad zou je als schoenen aan Mozes geven, welke weg moet hij gaan?

- Meer informatie over de aanpak van een interview: >> Naar Werkvorm Interview

3. Spelsituatie 3. Het leven van Mozes

- Het leven van Mozes wordt op het speelveld in een grote halve cirkel of U-vorm uitgezet met schoenen.

Mozes bij de Farao, bij zijn werkmakkers, na de doodslag, als herder in de woestijn, bij het braambos, terug in Egypte bij de Hebreeën,

voor de Farao, bij het vertrek uit Egypte, bij de doortocht door de Rode zee…….

- Leg in grote letters op papier de verschillende rolen en posities van Mozes op de grond, zodat het voor iedereen duidelijk wordt en blijft.

- Ieder kiest een positie uit die haar/hem aanspreekt.

- Kiest ook een paar schoenen uit dat mogelijk iets zegt over die positie.

- Spreek als schoenen van Mozes één of meerdere zin(nen) uit van wat zij/hij als schoenen van Mozes in die situatie beweegt, treft, sterkt….

Of wat zij/hij als schoen ‘over’ Mozes  in die situatie wil vertellen.

- De verschillende schoenen kunnen elkaar ook vragen stellen en antwoorden geven als iedereen aan bod is geweest.

 

4. Uitwisseling

Een wezenlijk onderdeel van een bibliodramaspel is de uitwisseling van geassocieerde levenservaringen tijdens of naar aanleiding van de spelsituaties. Dit kan plaatsvinden in de vorm van een kringgesprek of in een schrijfoefening. De bedoeling is dat men zich bewust wordt van de eigen belevingen, gedachten, woorden, verlan­gens en handelingen in de rol die men speelde. Vaak is het zo dat er tijdens het eigen spel of dat van anderen er gevoelens, gedachten en belevingen zich voordoen die in het spel onuitgesproken blijven. In de uitwisseling krijgen ze een plaats. Voorbeeld: ‘Toen ik de schoenen van Mozes  speelde kreeg ik plots een warme gloed door mij heen, het leek wel of ik dat vuur voelde als schoen in de plaats van Mozes’  - 'Bij mij was dat juist omgekeerd, ik kreeg rillingen toen die stem zei dat Mozes zijn schoenen moest uit doen, dat bevelende daar krijg ik de kriebels van, ik ben ver van dat vuur gaan staan.’

Daarnaast wordt gevraagd eigen belevingen en ervaringen uit het eigen verleden te vertellen aan elkaar die door het eigen spel werden opgeroepen of die je associeerde bij het spel van een ander.

Voorbeeld: ‘Toen ik over de zachtheid van mijn schoenen vertelde, besefte ik ineens hoe veel nood aan zachtheid en tederheid ik voel, ik kies ook altijd zachte truien uit.’ - ‘Mozes heeft nog lang op blote voeten verder gelopen in de woestijn. Ik (de schoenen) werd de hele tijd gedragen, dat deed zo’n deugd dat ik plots besefte, ik draag thuis al zoveel sinds de dood van mijn moeder. Ik wil zelf ook wel eens gedragen worden.’

In een verder stadium kunnen ook algemene maatschappij opvattingen en levensbeschouwelijke standpunten en keuzes verwoord worden.

Voorbeeld: 'Dat schoenen ons leven dragen, de levensweg lopen die we uit willen gaan. Ik heb er nooit bij stilgestaan hoe belangrijk schoenen wel zijn. Ik ga meer met mijn schoenen moeten praten denk ik(lacht), ik meen het wel echt ook.'

 

Richtvragen bij de uitwisseling:

Hoe heb je deze rol beleefd ? Wat heb je gevoeld, gedacht, gefantaseerd, ge­wild, gezegd, gedaan.

Wat had je graag nog willen zeggen en doen?

Welke gedragingen of woorden van de andere spelers hebben je aangespro­ken of gestoord. Wat ging er dan door je heen?

Herken je iets van je rol in je eigen leven, vroeger of nu? Voel jij je soms, doe je soms, ben je soms als die schoen in die situatie?

Zie je situaties uit het verhaal of het spel ook in de maatschappij en de wereld rondom je gebeuren ?

 

Meer informatie over de  uitwisseling: >>Zie Begeleiden Uitwisseling

 

Algemenen spelaanduidingen voor de begeleid(st)er.

  • In de bovenstaande situaties worden de concrete of verbeelde voorwerpen aangesproken. De blikrichting van de begeleid(st)er is de plaats waar de voorwerpen zich in de ruimte bevinden, ongeacht waar de spe(e)l(st)er die de rol verwoordt zich op het speelveld bevindt. Het helpt zowel de begeleid(st)er als de spe(e)l(st)ers om zich de rol van het voorwerp beter eigen te maken.

  • De begeleid(st)er vraagt de deelne(e)m(st)ers het meegebrachte voorwerp een eigen plaats, een positionering, een eigen vorm in de ruimte te geven zodat het voorwerp voldoende betekenisvol aanwezig is.

  • Laat de situering met woorden toe lichten. Voorbeeld: Vertel eens over die schoenen hoe zien ze er uit.? Waar bevinden ze zich? Wat hebben ze meegemaakt…De schoenen zien er zo uit…, want… Ze staan ver van… en dichtbij… omdat…. Ze dragen al een hele geschiedenis met zich mee…

  • In sommige situaties is het van belang dat de persoon die de rol van de schoenen speelt ook een bepaalde lichamelijke houding tegenover die schoenen aanneemt, die de betrokkenheid uitdrukking geeft. Iemand staat ver van de schoenen, verstopt de schoenen achter haar rug, koestert de schoenen in zijn armen, ligt beschermend over de schoenen heen…. Van belang is deze houding ook te bevragen. Voorbeeld: Schoenen jullie staan zo ver weg, is daar een reden voor? Schoenen, jullie zijn verstopt achter de rug van je drager. Wil je niet gezien worden of stopt hij jullie weg? Vertel er eens over? Schoenen van Mozes, jullie zitten (nog) aan de voeten van Mozes. Hoe reageert Mozes op de Godsspraak?

  • Het gesprek met het voorwerp kan zowel over het voorwerp en het eigen functioneren gaan als over de verhouding van het voorwerp tot de betrokken figuur en over de figuur zelf.

  • Bij de spelopdrachten en bij de helpende vraagstelling of interview door de begeleid(st)er is het van belang de gestelde doelen goed voor ogen te houden en deze in de opdrachten duidelijk aan te geven en te bewaken. (zie doelen)

  • Spreken als een voorwerp en als een voorwerp over iemand (het eigen ik of een verhaalpersonage) is niet vanzelfsprekend. Het is van belang als begeleid(st)er de spe(e)l(st)ers daarin goed te ondersteunen. Dit kan door:

    • Duidelijke aanspreking en gespreksvoering met het voorwerp. Voorbeeld: “Goeiedag schoenen, wie zijn jullie? Vertel eens”. Of: “Je bent de schoenen van…. Vertel eens wat jullie zoal doen.”

    • De juiste blikrichting aangeven en dus kijken naar het voorwerp en niet naar de persoon die spreekt. De correcte aanspreking blijven aanhouden en niet meegaan in de versprekingen van de spe(e)l(st)er.

    • Snel kleine helpende correcties aanbrengen wanneer iemand uit de rol valt en als zichzelf ‘over’ het voorwerp gaat spreken.  Voorbeeld : Je neemt het woord van de spe(e)l(st)er over en herneemt aansprekend: “ Je bent de schoenen van… Mozes, vertel eens hoe het voor jou als schoenen is om de schoenen te : zijn van…Mozes” Voorbeeld: Je komt gewoon tussen als begeleid(st)er en zegt :” Zeg maar gewoon ‘als schoen’, wat je hebt meegemaakt: “ ik (in dit geval kan ook ‘wij’), de schoenen van Mozes, ik (wij)ben(zijn)… Herhaal het maar even. Geef ook aan dat een verspreking heel gewoon is en geen probleem vormt. “Ik help je even op weg, want het is een hele kunst is om zo als voorwerp over jezelf te spreken”.

    • Geruststellen, veiligheid bieden, ondersteuning geven, handreikingen geven i.f.v. de rolinleving, de persoon, het spel(begrip) van iedereen.

    • Het is niet altijd nodig correcties aan te brengen. Soms is het maar een kleine verspreking, corrigeren werkt dan eerder verstorend. Spe(e)l(st)ers moeten ook voldoende de ruimte krijgen om zich deze taal eigen te maken. Eens missen is geen probleem. Als begeleider moet je de spanning leren aanvoelen tussen ‘wat geduld opbrengen’ en ‘helpend ingrijpen’.

 

Mogelijke doelen:

Spreken over de betekenis van een voorwerp (schoen)

Als voorwerp (schoen) spreken over je betekenis voor je drager (je eigen persoon).

Als schoen spreken over je persoon (als drager) en je ervaringen, over een situatie waarin je verkeert. Bewust worden van de eigen schoenen waarin men staat, wenst te staan, niet staat...

Leren spreken vanuit het perspectief van iets (iemand) anders

Leren vragen stellen aan elkaar. Symbooltaal hanteren

Een bijbelverhaal of een ander levensbeschouwelijk verhaal verkennen vanuit een voorwerp dat hoort bij een verhaal(personage)

Bij een (bijbel)personage komen dat betekenis heeft in je leven. Een kernhouding van dit personage aannemen

Je inleven in een voorwerp behorend bij en persoon of bij een bepaald verhaalfiguur.

Als voorwerp spreken over de persoon die dit voorwerp bezit (jezelf of een verhaalfiguur).

Vanuit een deel, een aspect (de schoenen van…)spreken over het geheel

Vanuit een bepaalde positie een eigenzinnige kijk geven op een personage of situatie.

Beluisteren wat anderen er in ontdekken

Houdingen van anderen overnemen en zich trachten te verplaatsen

Bewust worden van de relatie tussen de gekozen bijbelfiguur en aspecten uit het eigen leven of de omgevende realiteit.

Meer informatie en begeleiding suggesties bij deze werkwijze: zie werkvorm Rolinleving >> Naar Werkvorm Rolinleving

TOEPASSINGEN (VERVOLG)

Voorwerp: Schoenen

 

4. Aandachtspunten voor de begeleiding

  • In de bovenstaande situaties worden de concrete of verbeelde voorwerpen aangesproken. De blikrichting van de begeleider is de plaats waar de voorwerpen zich in de ruimte bevinden, ongeacht waar de speler die de rol verwoordt zich op het speelveld bevindt. Het helpt zowel de begeleider als de spelers om zich de rol van het voorwerp beter eigen te maken.

  • De begeleider vraagt de deelnemers het meegebrachte voorwerp een eigen plaats, een positionering, een eigen vorm in de ruimte te geven zodat het voorwerp voldoende betekenisvol aanwezig is.

  • Laat de situering met woorden toe lichten. Voorbeeld: Vertel eens over die schoenen hoe zien ze er uit.? Waar bevinden ze zich? Wat hebben ze meegemaakt…De schoenen zien er zo uit…, want… Ze staan ver van… en dichtbij… omdat…. Ze dragen al een hele geschiedenis met zich mee…

  • In sommige situaties is het van belang dat de persoon die de rol van de schoenen speelt ook een bepaalde lichamelijke houding tegenover die schoenen aanneemt, die de betrokkenheid uitdrukking geeft. Iemand staat ver van de schoenen, verstopt de schoenen achter haar rug, koestert de schoenen in zijn armen, ligt beschermend over de schoenen heen…. Van belang is deze houding ook te bevragen. Voorbeeld: Schoenen jullie staan zo ver weg, is daar een reden voor? Schoenen, jullie zijn verstopt achter de rug van je drager. Wil je niet gezien worden of stopt hij jullie weg? Vertel er eens over? Schoenen van Mozes, jullie zitten (nog) aan de voeten van Mozes. Hoe reageert Mozes op de Godsspraak?

  • Het gesprek met het voorwerp kan zowel over het voorwerp en het eigen functioneren gaan als over de verhouding van het voorwerp tot de betrokken figuur en over de figuur zelf.

  • Bij de spelopdrachten en bij de helpende vraagstelling of interview door de begeleider is het van belang de gestelde doelen goed voor ogen te houden en deze in de opdrachten duidelijk aan te geven en te bewaken. (zie doelen)

  • Spreken als een voorwerp en als een voorwerp over iemand (het eigen ik of een verhaalpersonage) is niet vanzelfsprekend. Het is van belang als begeleider de spelers daarin goed te ondersteunen. Dit kan door:

    • Duidelijke aanspreking en gespreksvoering met het voorwerp. Voorbeeld: “Goeie dag schoenen, wie zijn jullie? Vertel eens”. Of: “Je bent de schoenen van…. Vertel eens wat jullie zoal doen.”

    • De juiste blikrichting aangeven en dus kijken naar het voorwerp en niet naar de persoon die spreekt. De correcte aanspreking blijven aanhouden en niet meegaan in de versprekingen van de speler.

    • Snel kleine helpende correcties aanbrengen wanneer iemand uit de rol valt en als zichzelf ‘over’ het voorwerp gaat spreken.  Voorbeeld : Je neemt het woord van de speler over en herneemt aansprekend: “ Je bent de schoenen van… Mozes, vertel eens hoe het voor jou als schoenen is om de schoenen te : zijn van…Mozes” Voorbeeld: Je komt gewoon tussen als begeleider en zegt :” Zeg maar gewoon ‘als schoen’, wat je hebt meegemaakt: “ ik (in dit geval kan ook ‘wij’), de schoenen van Mozes, ik (wij)ben(zijn)… Herhaal het maar even. Geef ook aan dat een verspreking heel gewoon is en geen probleem vormt. “Ik help je even op weg, want het is een hele kunst is om zo als voorwerp over jezelf te spreken”.

    • Geruststellen, veiligheid bieden, ondersteuning geven, handreikingen geven i.f.v. de rolinleving, de persoon, het spel(begrip) van iedereen.

    • Het is niet altijd nodig correcties aan te brengen. Soms is het maar een kleine verspreking, corrigeren werkt dan eerder verstorend. Spelers moeten ook voldoende de ruimte krijgen om zich deze taal eigen te maken. Eens missen is geen probleem. Als begeleider moet je de spanning leren aanvoelen tussen ‘wat geduld opbrengen’ en ‘helpend ingrijpen’.