VERHALEN

Meer weergeven

​​

De genezing van de verlamde

die door vier mannen gedragen werd

Theologiseren met kinderen

 

Het verhaal

 

Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was.

Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun de heilsboodschap.

Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd.

Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat,

en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken.

Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’

Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf:

Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven!

Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets?

Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”?

Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’

Toen zei hij tegen de verlamde:  ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’

Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God.

‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze.

Marcus. 2,1-12.

 

Bibliodramaspel

 

​Het theologiseren via bibliodrama verloopt in een drietal fasen.

1. De fase van de spelervaring

waarbij het kind spontaan spelenderwijs het eigen begrip van het verhaal speelt in relatie tot de andere medespelers

2. De fase van de uitwisseling na het spel

waarbij het kind de persoonlijke ervaringen, en denkbeelden opgedaan tijdens het spel op eigen wijze verwoordt

3. De reflectiefase

waarbij er stil wordt gestaan bij de opgedane inzichten tijdens het spel en bij de uitwisseling na het spel

over de bijbels-theologische thema's waarop de doelen zich richten

Deze drie fasen zijn alle drie vormen van theologiseren, niet enkel de derde fase.

Algemene doelomschrijving en opzet

De kinderen doorleven een bijbels personage en verkennen het verhaalgebeuren van een genezing door Jezus.

Ze spelen hun eigen verhaalbegrip en het verstaan van het wonderverhaal (een bijbels-theologisch thema)

Ze verkennen de situatie van de verlamde en de betekenis van de dragers.

Ze verwoorden hun begrip van zonde en genezing, en verkennen de rol van de schriftgeleerden in het verhaal.

Ze verkennen daarbij hun Jezusbeeld, hun verhouding tot Jezus, hun begrip van het genezingsgebeuren,

 

Doelen

Na het beluisteren van het bijbelverhaal een personage zoeken  uit het bijbelverhaal dat hen aanspreekt

Zich inleven in het personage en een houding daarbij aannemen.

Verwoorden wie ze in de gekozen rol zijn, welke positie ze innemen

De rol van het personage spelen zoals ze dat persoonlijk verstaan

De rol ontwikkelen in relatie en confrontatie met de andere personages

Ze verwoorden (vanuit de rol) de eigen inzichten met betrekking tot de leer van Jezus.

Ze drukken spelenderwijs (in hun verhaalrol) hun verhouding tot de figuur van Jezus uit (in het verhaal)

 

Tijdens het uitwisselingsgesprek  trachten ze hun eigen gedachten en belevingen in de rol naar elkaar toe verwoorden met het oog op :

- een beter verstaan van de mogelijke onderliggende waarnemingen, belevingen, motieven en handelingen van zichzelf

en de personages in het verhaal.

- het herkennen van relaties en verbindingen tussen het eigen concrete leven en de diverse verhaalinhouden, situaties en handelingen.

- het verwoorden van aspecten uit hun eigen visie of levensinspiratie, hun eigen Jezusbeeld of visie op God.

 

 

Werkwijze 1.

 

1. Tekstlezing: De gehele tekst wordt gelezen

2. Toelichting van het spelopzet, doelen en werkwijze

 

3. Verhaalfragment: Mensen stromen samen bij het huis van Jezus

Het verhaalfragment waarmee gespeeld wordt, wordt gelezen.

 

Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was.

Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun de heilsboodschap.

4. Spelvorm: Een bijbelfiguur verkennen via rolinleving

Hier start de eerste fase van het theologiseren. Kinderen laten zich aanspreken door een verhaal, maken een keuze vanuit hun beleving en gaan dat voor zichzelf tijdens het spel vorm geven.

 

Rolinleving en positiebepaling:  De deelnemers aan het spel leven zich allen in, in de rol van ‘één van de mensen die toestromen’. In de rol van de menigte kunnen ze een eigen invulling geven aan deze rol: Ze bepalen voor zichzelf wie ze zijn in die rol. Voorbeelden:

- een volgeling van Jezus zijn,

- een leerling van Jezus,

- een buur of familielid,

- een toevallige voorbijganger,

- een ouderling of kind

- ...

In deze rol kunnen zij hun rolbeleving uiten in de houding die ze aannemen en door hun plaatsing op het speelterrein

t.o.v. de figuur van Jezus en door de positionering in of buiten het huis.

Meer informatie over het begeleiden van een rolinleving: >> Zie Werkvorm Rolinleving

 

5. Spelronde 1.

Op het speelveld wordt de plaats van 'het huis van Jezus', 'de deur' en 'de ruimte buiten de deur' aangegeven.

De figuur van Jezus wordt opgeroepen door de plaatsing van een stoel (eventueel met een doek bekleed) in ‘het huis van Jezus.

De spelers leven zich in, in hun rol, stellen zichzelf voor wie (in hun eigen beleving) ze zijn en hoe en waarom ze daar aanwezig zijn.

Ze nemen een positie in op het voorgetekende speelveld en nemen een gepaste houding aan die hun beleving uitdrukt. 

De spelers vertellen vanuit de eigen opgenomen rol: wie ze zijn en wat ze komen doen of hopen mee te maken.

Bijvoorbeeld: dat ze gewekt zijn door: hun nieuws­gierigheid, door de volkstoeloop, door wat ze gehoord hebben van anderen over Jezus, door de verwonderlijke handelingen waarover ze gehoord hebben, doordat ze geraakt zijn door wat Jezus vertelt, door zijn standpunten, zijn opvat­tin­gen, zijn leer, zijn levensstijl… Ieder spreekt zichzelf uit vanuit het eigen aanvoelen en percipiëren van het eigen verhaalpersonage of hoe ze zich dat personage in het verhaal of in die tijd voorstellen.

 

6. Spelronde 2.

De spelers kunnen vanuit hun rol iets zeggen of vragen aan de spelers in de rol van andere toegestroomde mensen.

Ze kunnen ook iets zeggen tegen of vragen aan Jezus. (zijn rol wordt verbeeld door een stoel)

Hierbij kan aandacht gegeven worden aan:

- reacties n.a.v. de eerste voorstellingen, uitspraken, motieven…

Bijvoorbeeld: “ Ik erger mij aan al die nieuwsgierigen”, “ Ik begrijp niet waarom jij hier op een ‘wonder’ komt wachten”  “ Ik ben verwonderd dat er de dag van vandaag nog zoveel belangstelling is voor Jezus.”  “Kan jij mij eens vertellen wat je zo in Jezus ziet, dat je bijna op zijn schoot zit”

- de verkondigde leer of heilsboodschap van Jezus

Bijvoorbeeld: “Ik geloof niet wat er over Jezus verteld word. Ik wil het met mijn eigen ogen zien”. “Ik ben nieuwsgierig naar mensen die ongewone dingen kunnen.” “ Ik kom om te luisteren, want wat hij zegt is zo gedurfd.” “ Zijn keuze voor de zwakke medemens is opmerkelijk, ik wil ervan leren.” “Jezus, heb je geen schrik van die schriftgeleerden die hier zitten?”

 

Na de tweede spelronde worden de spelers gevraagd hun rol (als mens in de menigte) af te leggen en weer zichzelf te worden.

 

7. Uitwisseling

Na deze korte inleef- en spelronde volgt een uitwisseling van belevingen en ervaringen bij het spel tijdens een kringgesprek.

Hierbij wordt gereflecteerd op de opgedane ervaringen. Dit is de tweede fase van het theologiseren.

Aandachtspunten gaan naar:

- Belevingen en ervaringen bij de spelervaringen en -inhouden.

De eerste bedoeling is dat de kinderen zich hun belevingen, gedachten, woorden, verlangens en handelingen in de rol bewust worden en in een verder stadium deze mogelijk herkennen in hun eigen levenssituaties of in die van anderen.

 

Begeleidende richtvragen  voor de gespreksleider kunnen zijn:

Welk bijbelfiguur heb je gespeeld? Hoe heb je deze rol beleefd ? Wat heb je gevoeld, gedacht, gefantaseerd, gewild, gezegd, gedaan? Wat had je graag nog willen zeggen en doen? Welke gedragingen of woorden van de andere spelers hebben je aangesproken of gestoord? Wat ging er dan door je heen?

- Eigen associaties en levenservaringen die zijn opgekomen bij het spel van jezelf of van anderen

Naar aanleiding van het spel kunnen tijdens het spel of in de momenten erna associaties ontstaan met eigen levenservaringen in het eigen verre of nabije verleden. Men herkent iets van wat zich in zij of haar leven afspeelt. Men ziet verbindingen ontstaan tussen het gespeelde spel en de omgevende werkelijkheid op micro en macro niveau. De associaties kunnen persoonsbetrokken of maatschappelijk van aard zijn. Ze kunnen handelen over de bijbelse werkelijkheid, het eigen geloofsleven, de eigen inspiratie en oriëntaties.

Begeleidende richtvragen voor de gespreksleider kunnen zijn:

Als je nu echt die bijbelfiguur zou zijn, wat zou je dan nog allemaal doen of zeggen? Herken je iets van je rol in je eigen leven, vroeger of nu? Voel jij je soms, doe je soms, ben je soms als de menigte. Zie je situaties uit het verhaal of het spel ook in de maatschappij en de wereld rondom je gebeuren. Vertel even.

 

- Ervaringen en overwegingen bij het verstaan van het bijbelverhaal, bij het begrijpen van Jezus’ leer, Jezus’ positie of -handelen.

Aandacht is er tijdens deze gespreksronde voor de associaties, belevingen en overwegingen met betrekking tot de eigen visie en beleving, begrip… van bijbelverhalen en de bijbelse umwelt. Er kan stilgestaan worden bij de figuur van Jezus en of bij Godsbeelden die doorheen het spel aan de orde kwamen.

Begeleidende richtvragen voor de gespreksleider kunnen zijn:

Hoe heb je jezelf ten opzichte van Jezus ervaren in je rol als toeschouwer? Wat heb je over Jezus gezegd? Welke houdingen of handelingen heb je aangenomen tijdens het spel? Welke houdingen of uitspraken van anderen t.o.v. Jezus zijn je opgevallen? Wat is er je rondom Jezus doorheen het spel duidelijker of onduidelijker geworden?

8. Reflecteren

Na de uitwisseling krijgen we een derde fase van theologiseren. Hierbij reflecteren kinderen over de onderwerpen die tijdens het spel en de uitwisseling aan bod zijn gekomen rondom één van de bijbels-theologische thema's

 

De kinderen worden gevraagd wat ze uit het spel en uit de uitwisseling onthouden hebben over hoe mensen naar Jezus kijken.

Welke gelijkenissen en verschillen merken ze op.

Tot welke conclusies kunnen ze daarover komen.

Hoe denken ze over wat Jezus doet en zegt.

Welke beelden, voorstellingen van Jezus maken ze daaruit op.

Herkennen ze dit beeld ook in onze maatschappij vandaag.

Hoe denken de mensen vandaag over de leer van Jezus

De genezing van de verlamde

die door vier mannen gedragen werd

Theologiseren met kinderen

 

Bibliodramaspel: Vervolg

Werkwijze 2.

Spelvorm: Groepsinteractiespel met diverse verhaalfiguren.

1. Tekstlezing: De gehele tekst wordt gelezen

2. Doelen

- Het verkennen van een religieus figuur uit het religieus verhaal.

- Het verkennen van motieven, handelingen, gevoelens, emoties, gedachten, kritieken, bedenkingen,...  van een religieus figuur.

- Het stilstaan bij je persoonlijke aantrekking/afstoting, geraaktheid of betrokkenheid n.a.v. een religieus figuur.

- Ervaren hoe een positiebepaling t.o.v een religieus figuur sprekend kan zijn voor het eigen denken en handelen in de context van het verhaal.

 

De kinderen kunnen hun eigen inzichten t.a.v. het 'wonder' van het verhaal naar elkaar toe verwoorden

en wederzijds bevragen met het oog op :

- een ruimer begrip van ziekte en genezing

- een beter verstaan van de samenhang tussen ziekte en zonde in de joodse samenleving uit Jezus tijd.

- een ruimere kijk op het begrip 'wonder' en 'wonderverhaal',

- een uitklaring van de spanning tussen begrippen als: mirakel, tegennatuurlijk, onverklaarbaar, symbolisch, verhalend, hoop, sterk geloof, verlangen naar verandering; en verder als gave, toemaat ,toegift van de God van het Leven in diens bekommernis om het kleine, het zwakke, het naamloze.

- het (mogelijk) in de eigen realiteit herkennen (en mee realiseren) van wonderen die mensen elkaar trachten aan te doen.

3. Toelichting spelopzet, doelen en werkwijze.

Groepsinteractiespel met diverse verhaalfiguren.

 

Het spel wordt gespeeld met de verschillende rollen uit het bijbelverhaal en met alle deelnemers van de groep tegelijk. Deze spelvorm laat een grotere dynamiek toe waarbij het hele verhaal dramatisch ten volle doorleefd kan worden. De vele inhoudelijke sporen en betekenissen van de verhaaltekst zijn tegelijk in het spel. Ze vinden een eigen weerklank bij elk van de deelnemers. Het vraagt van de begeleider de nodige ervaring om deze spelvorm kwaliteitsvol te begeleiden.

 

Inzoomen op deelthema’s, de doelen beperken, het aantal verhaalrollen afgrenzen … zijn middelen om deze spelvorm makkelijker te begeleiden of gerichter te hanteren. Bijvoorbeeld op een bijbels of theologisch thema: begrip ‘wonder’, bijbels wonderverhaal, Jezus als wonderdoener…

 

Meer informatie over de werking en begeleiding van een 'groepsgericht bibliodrama': >> Zie Werkvorm Groepsinteractiespel

Meer informatie over het groepsinteractiespel: Zie boek: Bibliodrama Begeleiden. Wegwijzers voor de praktijk. >> Naar Boek

4.R

4. Rolkeuze en rolinleving

De personages uit het verhaal waarmee gespeeld wordt:

- mensen(menigte),

- schriftgeleerden,

- dagers,

- verlamde

- Jezus,

- God.

De kinderen kiezen één van de verschillende rollen die hen aanspreekt uit het verhaal.

Ze leven zich in, in de rol en nemen een positie aan op het speelveld zoals aangegeven door de begeleider.

De begeleider start met het interview bij de aanvang van het spel.

 

Meer informatie over het interview: >> Zie Werkvorm Interview

Meer informatie over Rolinleving: >> Zie Werkvorm Rolinleving


5. Interactie

De begeleider start de interactie tussen de verschillende rollen.

Hij richt de vragen vanuit de spelers over het gekozen thema en de bepaalde doelen van het bibliodrama

Hij kan zich bedienen van (door de begeleider) vooraf opgestelde vragen die op een open wijze aangeboden worden ter reflectie, maar wel binnen het kader van de eigen inbrengen  van de spelers en de doelen van het spel.

Doorheen het spelen van de rollen uit het verhaal maken de kinderen ook contact met de andere aspecten en inhoudelijke dimensies van de rol en dus niet alleen met hun visie en kijkwijzen t.a.v. wonderverhalen. Vandaar dat er (hoewel niet expliciet) de nodige aandacht aan wordt besteed, om volgende redenen:

- Het vormt de essentie van bibliodrama. De persoonlijke belevingen vereisen de nodige aandacht.

- Het is nodig als inleving voor het spel en de diverse rollen.

- Het uitdiepen van de andere aspecten werkt verdiepend en verruimend voor het verstaan en interpreteren van het 'wonder'.

- Het spelen roept andere ervaringen uit het leven van het kind op waar we niet zomaar aan voorbij kunnen gaan. Een kind is een geheel mens en hier volstaat het dus niet louter partieel in te zoomen op het verstaan van het ‘wondere’ alleen.

 

Voorbeeld van een voorbereide vraagstelling met betrekking tot het ‘wondere’ in het verhaal.

 

Wat zie je gebeuren, wat bedenk je daarbij? Waarom brengt men de lamme bij Jezus? “Heeft dat iets met de verlamming van de lamme te maken? Waarom zegt Jezus iets over zonden vergeven? Wat zegt Jezus over ‘zonden en zonden vergeven’? Wat zegt hij over genezen? Wat denken jullie hierbij , mensen, dragers, schriftgeleerde, lamme, Jezus?

Waarom zijn de schriftgeleerden zo kwaad over Jezus’ vergeving? “Kan dat zonden vergeven, een lamme genezen? Denk je dat de lamme te genezen is? Waarom denk je dat?

Moet de lamme zich bekeren om te genezen? Wat moet hij dan doen? Heeft bekeren met genezen te maken? Moeten ook de mensen zich bekeren opdat de lamme zou genezen? De schriftgeleerden ook?

Kan een verlamde nog genezen? Uit zichzelf? Heeft hij daar andere mensen voor nodig? Wie? Mensen die hem verzorgen, verplegen, die hem overal mee naar toe nemen, die met hem spreken? Of dokters, genezers, medicijnmannen...

Kan Jezus de lamme genezen? Waarom denk je dat? Wat gebeurt er dan? Is Jezus een dokter, een genezer, een tovenaar...? Doet Jezus alles alleen? Heeft hij daar hulp bij nodig? Van de lamme zelf? Van andere mensen? Van de hele samenleving?

Wat is het, wie is het, dat (die) de lamme genezen heeft? Wat denk je dat Jezus gaat zeggen, doen? Zal die inspanning van de dragers geen maat voor niets zijn? Is het door hun toedoen dat de lamme geneest denk je? Vertel eens …”

Denk je dat het afgesproken spel is? Denk je dat Jezus het volk wil misleiden? Heeft de lamme de hele tijd maar gedaan alsof? Sommige mensen denken dat Jezus wonderen kan doen? Wat denk je daarvan? Wat kan hij wel en wat niet? Wat is daarvoor nodig?

Wat vind je ervan dat de mensen God verheerlijken?” Moet niet eerder Jezus verheerlijkt worden? Of de dragers? Wat heeft God hiermee te maken? Doet God genezingen, wonderen? Werken God en Jezus samen? Altijd? Hoe gaat dat in zijn werk?

 

6. Uitwisseling

In een eerste fase kunnen de kinderen de eigen gedachten en belevingen in de rol naar elkaar toe verwoorden met het oog op :

- een beter verstaan van de mogelijke onderliggende waarnemingen, belevingen, motieven en handelingen van de personages in het verhaal.

- het herkennen van relaties en verbindingen tussen het eigen concrete leven en de diverse verhaalinhouden, situaties en handelingen.

 

De kinderen kunnen in een tweede fase van uitwisseling hun eigen inzichten t.a.v. het 'wondere' van het verhaal naar elkaar toe verwoorden en wederzijds bevragen met het oog op:

- een ruimer begrip van ziekte en genezing.

- een beter verstaan van de samenhang tussen ziekte en zonde in de joodse samenleving uit Jezus’ tijd.

- een ruimere kijk op het begrip 'wonder' en 'wonderverhaal.

- het in de eigen realiteit herkennen van wonderen.

 

7. De uitwisseling wordt beëindigd met de herlezing van het bijbelverhaal.

8. Reflectie

Na de uitwisseling krijgen we een derde fase van theologiseren. Hierbij reflecteren kinderen over de onderwerpen die tijdens het spel en de uitwisseling aan bod zijn gekomen rondom één van de bijbels-theologische thema's volgens de doelen en inhouden van het bibliodrama

 

De aandacht richten op de wijze waarop kinderen wonderverhalen verstaan. Doorheen het ingeleefde spel van het bijbelse wonderverhaal trachten het eigen vermoeden, het eigen verstaan, de eigen interpretatie van het verhaalgebeuren van de kinderen aan de oppervlakte te brengen, te verkennen, uit te diepen, te confronteren, te verruimen.

 

Het verhaal reikt doorheen de diverse personages (hun aard en hun handelingen) mogelijk verscheidene zienswijzen aan t.a.v. het gebeuren waardoorheen kinderen hun eigen bewuste, voorbewuste of onbewuste indrukken of interpretaties kunnen uiten.

 

Doorheen het spelen van de rollen uit het verhaal maken de kinderen ook contact met de andere aspecten en inhoudelijke dimensies van de rol en dus niet alleen met hun visie en kijkwijzen t.a.v. wonderverhalen. Vandaar dat er (hoewel niet expliciet) de nodige aandacht aan wordt besteed, om volgende redenen:

- Het vormt de essentie van bibliodrama. De persoonlijke belevingen eisen de nodige aandacht.

- Het is nodig als inleving voor het spel en de diverse rollen.

- Het uitdiepen van de andere aspecten werkt verdiepend en verruimend voor het verstaan en interpreteren van het 'wonder'.

- Het spelen roept andere ervaringen uit het leven van het kind op waar we niet zomaar aan voorbij kunnen gaan. Een kind is een geheel mens en hier volstaat het dus niet louter partieel in te zoomen op het verstaan van het ‘wondere’ alleen.

 

De genezing van de verlamde in het badhuis 

Theologiseren met kinderen

 

Het verhaal

Enige tijd later ging Jezus voor een van de Joodse feesten naar Jeruzalem.

Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betzata geheten, met vijf zuilengangen.

Daar lag gewoonlijk een groot aantal zieken, blinden, lammen en kreupelen te wachten op het in beweging komen van het water.

Van tijd tot tijd daalde namelijk een engel in het bad neer en bracht het water in beroering.

Wie dan het eerst na de beweging van het water erin ging, werd genezen, wat voor kwaal hij ook had.

Er was ook een man bij die al achtendertig jaar ziek was. Jezus zag hem liggen,

en omdat Hij begreep dat hij al lang ziek was, sprak Hij hem aan: ‘Wilt u graag gezond worden?’ 

‘Maar Heer,’ zei de zieke, ‘ik heb geen mens om mij in het bad te helpen wanneer het water in beweging komt,

en terwijl ik mij erheen sleep, is een ander mij voor.’ Daarop zei Jezus: ‘Sta op, pak uw bed en loop.’

Meteen werd de man gezond: hij pakte zijn bed en liep.

Joh 5, 1- 9

Bibliodramaspel

 

De rollenspel met alle figuren uit het verhaal.

- Het verhaal wordt een tweede maal gelezen en ieder wordt uitgenodigd naar eigen aanvoelen een rol te kiezen die hem/haar aanspreekt. Keuze uit: De zieken, kreupelen, blinden, lammen, de lamme die 38 jaar ziek is, Jezus, engel, (God).

Eénzelfde rol mag door meerdere spelers gespeeld worden.

- Een rol kiezen, een positie rondom het water innemen, inleven en houding aannemen.

Iedere speler geeft zich een eigen rolinkleding. Zich eigen voorstelling maken van wie ze zelf zijn in als verhaal^personage

Wat voor een zieke, lamme, kreupele, engel, Jezus… ben je?

 

Meer informatie over het begeleiden van 'rolinleving': >> Zie Werkvorm Rolinleving

 

- Kort interview door de begeleider, waarbij ieder zich voorstelt:

Wie ben je? Zeggen wie je bent en daarbij wat je daar doet, met welke intenties je aanwezig bent.

 

Meer informatie over interview en vraagstelling: >> Zie Werkvorm Interview

Het spel start in de tijdspanne vóór het in beweging komen van het water. De engel zelf is wel al aanspreekbaar aanwezig. Ook Jezus is aanwezig. Iedereen kan met iedereen in gesprek gaan en handelen.

De spelbegeleider orkestreert het gebeuren.

 

Meer informatie over het begeleiden van deze interacties:  >> Zie Begeleiden Interactiefase

 

Meer informatie over het begeleiden van deze interacties. Zie ‘Bibliodrama begeleiden. Wegwijzers voor de praktijk’.: >> Zie Boek

 

Algemene spelbegeleiding:

De inhoudelijke invalshoeken en aandachtpunten die het verhaal aanreikt i.f.v. het theologiseren

kunnen door de begeleider doorheen het spel van de deelnemers als een open mogelijkheid worden aangeraakt

indien ze niet spontaan worden ingebracht. ( cfr. verhaalinhouden en bibliodramadoelen).

Het mag echter geen inhoudelijke spelsturing of duiding inhouden.

Doorheen het spel bevraagt de spelleider voldoende de belevingen, ervaringen, overtuigingen, verlangens van de diverse spelers m.b.t. onderstaande aspecten wanneer deze zich doorheen het spel aandienen.

Aandacht geven voor verdieping door te vragen naar betekenisgeving, explicitering, oriëntatie…

            De belevingen van de verschillende zieken met hun ziekteproces. ( i.f.v. betekenisgeving)

            De onderlinge relaties, verbanden, spanningen tussen degenen die genezing zoeken.

            Welk vormen van genezing worden verwacht? Welke worden verkregen?

            Hoe en door wie of wat kan, moet, zal de genezing tot stand komen?

            Wat kan het badhuis, de medezieken, het water, de engel, Jezus… daarin betekenen?

            Hoe staat met tegenover de genezende werking van het water?

            Hoe beleeft de engel zijn/haar rol? Wat is de eigen kracht en (on)macht van de engel?       

            Wat zijn de motieven? Waar komt die kracht vandaan? Waarop is die gericht?

            Hoe wordt de engel en zijn motieven en handelingen begrepen door de zieken?

            Is het een engel van Godswege of waarvandaan?

            Wat is de functie en betekenis van Jezus en hoe ziet hij zichzelf functioneren in de situatie in het badhuis?

  Hoe wordt zijn rol en zijn intenties opgevat door de anderen?

            Hoe verhouden de engel en Jezus zich tot elkaar? ( wat is hun specifieke relatie met God)

            Hoe ervaren de zieken de functie van Jezus en hoe ervaren zij diens optreden?

            Keuze van Jezus voor de man die al 38 jaar lam was.

            Wat gebeurt er m.b.t. het genezingsproces van de vele zieken?

            Welke functie, betekenis krijgen de medezieken, de engel, het water, Jezus… hierin?

  Welk Jezus beeld komt er aan bod doorheen het spel. Hoe wordt die gepercipieerd door de andere rollen?

  Hoe verloopt het genezingsproces, wordt de verlamde genezen, worden er anderen genezen?

           

Afronding van het spel

Begeleider doet een rondvraag naar een laatste woord in de gepeelde rol m.b.t. het spelgebeuren.

Elke speler krijgt de kans om vanuit het persersonage dat hij speelt nog een uitspraak te doen tegen één of ander personages naar keuze,

of gewoon naar iedereen toe, of als bedenking voor zichzelf uit...

Daarna de gespeelde rol afleggen en het spelkader (doeken) ontrollen.

 

Uitwisseling van ervaringen na het spel en het theologiseren

 

De spelbelevingen en ervaringen in de gespeelde rollen tijdens het spel aan elkaar vertellen

Wat moet er nog worden gezegd dat niet voldoende de kans gekregen heeft tijdens het spel?

Het mogelijk herkennen van aspecten van eigen levenservaringen in de eigen actuele levenscontext of in de samenleving

            (i.r.t. de eigen levensbeschouwelijke identiteit)

 

Ervaringen met bijbel-theologische thema's doorheen het spel

De begeleider reikt theologische thema's aan, al naar gelang de doelen van het theologiseren die vooraf zijn aangegeven

           - Ziekten (beleving, stigmatisering, mensbeelden, overtuigingen, identiteit, schuld, zonde, Gods wil...)

 

 - Wonderverhalen in de bijbel. (realiteit, waar gebeurd, beeldtaal, symboliek, de (on)macht van Jezus, ingesteldheid van de verlamde,

de solidariteit van de omgeving, van de mede zieken kreupelen blinden, zieken...

            - Begrip van ‘wonderen’ in de samenleving.

Wat wordt als wonder ervaren, handoplegging, genezing, wonderen der natuur de zeven wereldwonderen, mirakels, telepathie...

           

            - Genezing en heling en hun diverse aspecten; fysisch, psychisch, sociaal, spiritueel, godsdienstig.

            - Helende kracht van water (welness, genezingsbronnen e.a)

            - Voorkeursoptie voor armen, zieken, lammen…. God en de zwakkeren., de kleine mens?

            - Figuur, voorstelling, begrip van Jezus. Welke houdingen en handelingen van Jezus komen aan bod in het spel?

Welk beeld van Jezus roept dat op bij de medespelers tijdens het spel.

Welk beeld van Jezus roept het op bij de deelnemers aan bibliodrama na het spel tijdens deze uitwisseling?

           

- Voorstelling en begrip van de engel.

Hoe wordt een engel begrepen, als een realiteit, als een beeldspraak? Wat is de betekenis van een engel?

In het verhaal, in een mensenleven? Hoe staat een engel (als boodschapper van God)  in relatie tot God. Een uitvoerder, iemand met eigen inzichten en mer vrijheid van handelen?

          - Godsvoorstelling

Hoe is God in het bibliodramaspel aan bod gekomen? Helemaal niet of veel? Bij Jezus of bij de engel, bij niemand of bij beiden? Was er een gelijkende God of was het een verschillende? Wat was er verschillend? Hoe heeft Jezus met God te maken?

Hoe heeft God met de engel te maken? Welk beeld(en) van God komt er doorheen dit spel naar voor?

 

 

Afsluiting van het bibliodrama met de herlezing van het verhaal.

(terug geven van het gespeelde aan het verhaal)

 

  1. Nabespreking na het spel.

            - Over bibliodrama (opvattingen, aanpak, grenzen, doelen enz.)

            - Over theologiseren via bibliodrama (eigen mogelijkheden, aard van theologiseren)

            - Over bibliodrama en theologiseren met bepaalde doelgroepen en leeftijden

            - Andere …

Het Bijbelverhaal dient niet noodzakelijk letterlijk gevolgd worden, ook tegendraads en andersoortig spel is mogelijk.

 

Met een grote groep spelers wordt de groep in tweeën gedeeld. Een groep spelers en een groep toeschouwers.

Later worden deze rollen omgewisseld.

Een speelspanning en inleefintensiteit lang vasthouden is voor veel mensen moeilijk.

Het heeft tot gevolg: verlies aan concentratie, uit de rol vallen en vertonen van licht storend gedrag.

De toeschouwers krijgen de dubbele opdracht mee:

Eén. Goed te kijken en te luisteren naar wat en hoe de spelers hun verhaal brengen (zonder zelf enige commentaar te laten blijken) en zich er door te laten beïndrukken.

Twee. Na het spel van de spelers wordt hen gevraagd iets te zeggen wat hen geraakt, getroffen, geboeid heeft in het spel van de anderen. Geen oordelen! Vb. Ik werd geraakt door… Het deed me denken aan… Ik voelde op dat moment…Ik zag mezelf als…

De indeling van de ruimte geeft een plaats aan de toeschouwers en een plaats aan het speelveld voor de spelers.

Het speelveld is het grootste deel van het lokaal ongeveer 2/3.

Een imaginaire streep (eventueel een krijtstreep of tapelijn ) door de ruimte.

De streep in de breedte van het lokaal geeft meer veiligheid aan de spelers, ze kunnen meer afstand nemen van het publiek, zich wat meer achter elkaar verbergen… 

Het speelveld in de volle lengte van het lokaal, zorgt vaak voor een grotere intensiteit (als er voldoende veiligheid is).

Spelers en toeschouwers zitten dicht op elkaar, het verhoogt de wederzijdse spanning.

De toeschouwers zetten zich neer (op stoelen, kussens of op de grond) op het kleinste deel van het lokaal.

Gewoon naast elkaar of op twee rijen.

 

Na de voorstelling vertellen de toeschouwers om beurt wat hun geraakt heeft in het spel van de spelers.

Geen oordelen, enkel eigen belevingen vanuit hun geraaktheid, geboeid zijn, verbindingen met zichzelf.

 

Dan worden de rollen omgedraaid: toeschouwers worden spelers en nemen op de speelscène met hun lamp en een doek een plaats in en leven zich in, in hun verhaalrol…

De genezing van de verlamde in het badhuis 

Theologiseren met kinderen

 

Vervolg

 

Uitwisseling en theologiseren

 

De spelbelevingen en ervaringen in de gespeelde rollen tijdens het spel aan elkaar vertellen

Wat moet er nog worden gezegd dat niet voldoende de kans gekregen heeft tijdens het spel?

Het mogelijk herkennen van aspecten van eigen levenservaringen

in de eigen actuele levenscontext of in de samenleving

          i.r.t. de eigen levensbeschouwelijke identiteit

 

Ervaringen met bijbel-theologische thema's doorheen het spel

De begeleider reikt theologische thema's aan, al naar gelang de doelen van het theologiseren die vooraf zijn aangegeven

           - Ziekten (beleving, stigmatisering, mensbeelden, overtuigingen, identiteit, schuld, zonde, Gods wil...)

 

 - Wonderverhalen in de bijbel. (realiteit, waar gebeurd, beeldtaal, symboliek, de (on)macht van Jezus, ingesteldheid van de verlamde,

de solidariteit van de omgeving, van de mede zieken kreupelen blinden, zieken...

            - Begrip van ‘wonderen’ in de samenleving.

Wat wordt als wonder ervaren, handoplegging, genezing, wonderen der natuur de zeven wereldwonderen, mirakels, telepathie...

           

            - Genezing en heling en hun diverse aspecten; fysisch, psychisch, sociaal, spiritueel, godsdienstig.

Als je ziek bent, veoel je dat alleen lichamelijk, voel je je ook psychisch niet goed in je vel? Geestelijk?

Zijn je relaties en contacten dan normaal? Voel je je ook sociaal uitgesloten? Wanneer wel, wanneer niet?

Heeft ziek zijn ook iets met je zingeving te maken, met wat waardevol en waardeloos is?

Heeft ziek zijn ook iets met je levensbeschouwing te maken, met hoe je naar het leven kijkt?

Iets met godsdienst, bidden, God?

            - Helende kracht van water (welness, genezingsbronnen e.a)

            - Voorkeursoptie voor armen, zieken, lammen…. God en de zwakkeren., de kleine mens?

            - Figuur, voorstelling, begrip van Jezus. Welke houdingen en handelingen van Jezus komen aan bod in het spel?

Welk beeld van Jezus roept dat op bij de medespelers tijdens het spel.

Welk beeld van Jezus roept het op bij de deelnemers aan bibliodrama na het spel tijdens deze uitwisseling?

           

- Voorstelling en begrip van de engel.

Hoe wordt een engel begrepen, als een realiteit, als een beeldspraak? Wat is de betekenis van een engel?

In het verhaal, in een mensenleven? Hoe staat een engel (als boodschapper van God)  in relatie tot God. Een uitvoerder, iemand met eigen inzichten en mer vrijheid van handelen?

          - Godsvoorstelling

Hoe is God in het bibliodramaspel aan bod gekomen? Helemaal niet of veel? Bij Jezus of bij de engel, bij niemand of bij beiden? Was er een gelijkende God of was het een verschillende? Wat was er verschillend? Hoe heeft Jezus met God te maken?

Hoe heeft God met de engel te maken? Welk beeld(en) van God komt er doorheen dit spel naar voor?