VERHALEN

Meer weergeven

Lucas 13, 6-9

 

Iemand had in zijn wijngaard een vijgenboom staan.

Hij kwam kijken of er vruchten aan zaten, maar vond er geen.

Toen zei hij tegen de wijngaardenier:

"Dit is nu al het derde jaar dat ik kom kijken of er aan deze vijgenboom vruchten zitten, en er geen vind.

Hak hem maar om. Waarom zou hij de grond nog verder in beslag nemen?'' 

De wijngaardenier antwoordde: "Mijnheer, laat hem dit jaar nog staan,

zodat ik de grond eromheen kan omspitten en bemesten.

Wie weet draagt hij dan volgend jaar vrucht.

Zo niet, hak hem dan maar om.'' '

 

 

 

Bibliodrama

Doelen

Argumenten en motieven van de verschillende rollen in het bijbelverhaal verkennen.

Zich inleven in meerdere standpunten en kijkwijzen.

Eigen persoonlijke motieven en handelingen verkennen.

Andere houdingen en argumenten dan het bijbelverhaal aanreikt verkennen.

Argumenten en houdingen uit het eigen leven herkennen en vertellen aan elkaar.

Situaties uit de samenleving verbinden met elementen uit het bibliodrama.

Stilstaan bij de waarden en onwaarden (ethiek) van de menselijke omgang met de natuur.

Stilstaan bij de motieven van de bewogenheid en het engagement van mensen in het verhaal, in het bibliodrama spel en in de maatschappij.

 

Werkwijze

 

1.Kennismaking en doelen

De doelen en het verloop van dit bibliodrama worden toegelicht.

 

2. Bijbeltekst lezen en bespreken

De tekst wordt gelezen en kort eerste indrukken besproken.

Een aantal ‘rollen’ (personen, voorwerpen) uit het verhaal worden uitgekozen.

Een bijkomende rol wordt aan het spel toegevoegd. de rol van 'vruchtbare vijgenboom' (als mogelijke tegenpool van de 'onvruchtbare')

Deze 5 rollen worden in de ruimte een duidelijke plaats gegeven.

Die rollen zijn: De heer en eigenaar van de wijngaard. De dienaar en wijngaardenier. De wijngaard. De onvruchtbare vijgenboom. De vruchtbare vijgenboom.

Een rij stoelen geeft de plaats aan en het aantal spelers dat een bepaalde ‘rol’ mag spelen.

Bijvoorbeeld 4 stoelen per rol voor een twintigtal kinderen. Enkele stoelen meer dan het aantal, geeft wat meer keuzeruimte.

Confronterende rollen tegenover elkaar plaatsen. Voor dit spel verkiezen we de vorm van de vijfhoek.

We plaatsen 'de eigenaar' aan de basis van de vijfhoek en naast hem de 'wijngaard' aan de ene zijde en de 'vruchtbare vijgenboom' aan de andere zijde. Tegenover de 'heer en eigenaar' bevinden zich de' wijngaardenier' en de 'onvruchtbare vijgenboom' naast elkaar.

Leg een blad papier met de naam van de rol bij elke rij stoelen.

 

3. Een rol kiezen

-Het verhaal wordt een tweede maal herlezen. Daarbij wordt aan de deelnemers gevraagd het verhaal te beluisteren op  een rol die hen 'raakt, treft, sterk aanspreekt'.

-Kinderen kunnen hun eerste rol kiezen. Als instap-rol kan gevraagd worden die rol te kiezen die hen het meest raakt. Indien de plaatsen bezet zijn, kan men de rol van de tweede keuze innemen. Ieder wordt gevraagd op hun eigen wijze deze rol te spelen. Hij of zij kan meedoen met wat een speelster van dezelfde rol aangeeft; maar zij mag ook totaal anders de rol gestalte geven.

-Aan de kinderen wordt gevraagd de plaats in te nemen van één v.d. rollen.

-Bij de aanvang van het spel wordt aan hen gevraagd zich in te leven in hun rol. De begeleider vraagt iedereen om beurt zichzelf kort voor te stellen en te schetsen hoe men er zich voelt bijstaan, waar men op gericht is...

 

4. Op verkenningsronde

-Vragen ter verkenning kunnen zijn: Wie ben jij? Wat is je bekommernis? Hoe bekijk je de situatie? Wat hoop je, wat verlang je, wat verwacht je?

De bedoeling van zo'n verkenningsronde is dat iedereen van elkaar weet wie welke rol opneemt en hoe de rollen worden ingevuld. Daardoor krijgt vrij snel iedereen de kans om iets te zeggen en zit dus elke speler onmiddellijk actief in het spel. Dan is het ijs gebroken. Men kan beginnen.

Voor de begeleider is dit het moeilijkste moment want er moet communicatie tot stand gebracht worden.  Daarvoor is het belangrijk om goed te luisteren tijdens die eerste verkenningsronde. De spelers reiken daar vaak elementen aan om van start te gaan.

 

5. De zorg om de interactie

-Als begeleider zorg je ervoor dat er snel interactie komt. Zorg dat zoveel mogelijk  speelsters aan bod komen. Neem argumenten die tussen de plooien zijn gevallen  weer op. Betrek de wat stillere speelsters daar naar hun bedenken bij wat zij horen en zien te vragen. En dat ook tegen de betrokkenen in het spel te verwoorden. Dus ruimte en dynamiek maken om met elkaar in gesprek, in discussie te gaan.

- Het is van belang goed aan te geven dat iedereen om het even wanneer op iemand kan inpikken op wat iemand zegt. Alleen de begeleidster zorgt er voor dat het wat ordelijk verloopt. Het is de taak van de begeleider om het gesprek te structureren en te animeren.  Zij organiseert het gesprek maar stuurt het niet een bepaalde richting uit. Ze begeleidt maar leidt het niet naar de eigen inzichten toe. De inhouden die in het verhaal aanwezig zijn en de tussenkomsten van bepaalde kinderen mag zij wel weer onder de aandacht brengen. Inhoudelijke gespreksondersteunende tussenkomsten zijn bijvoorbeeld:

  • Waarom heeft u al jaren een vijgenboom in je wijngaard? Hoe is hij daar terecht gekomen?

  • Wat vindt jij, wijngaard, hoort een vijgenboom daar thuis?

  • Als vijgenboom draag je (nog) geen vrucht, hoe ervaar je dat zelf?

  • Horen vruchtdragende vijgenbomen meer thuis in een wijngaard dan onvruchtbare?

  • De heer wil jou, onvruchtbare vijgenboom, omhakken. Wat voer je zelf als verdediging aan?

  • Waarom neem je als wijngaardenier de verdediging van de vijgenboom op je?

  • Wat moet er gebeuren wanneer de vijgenboom ook volgend jaar geen vrucht geeft?

  • Wat denken alle betrokken daarover?

  • Wat kan de (positieve, negatieve) functie zijn van een vijgenboom in een wijngaard? Wie heeft daar voordeel en nadeel bij?

  • Wat denken de vruchtdragende vijgenbomen over hun collega?

  • Welke raad zou je hen willen meegeven en waarom?

  • Heb je als eigenaar het recht om over de onvruchtbare vijgenboom te beslissen?

-Na een zeker tijd legt de begeleider het spel stil en vraagt alle kinderen een andere rol in te nemen, volgens het doorschuifsysteem. Alle spelers van één rol schuiven gezamenlijk door naar de volgende.

-Het gesprek tussen de rollen vangt weer aan. De kinderen hoeven geen rekening te houden met wat zich voordien in die diverse rollen afspeelde, ze zijn niet verplicht dezelfde motieven als de spelers voor hen aan te houden. Ze bekleden hun nieuwe rol op hun eigen wijze.

-Na de nieuwe gespreksronde wordt er opnieuw gewisseld en wel zo dat uiteindelijk elk kind zich in elke rol heeft kunnen inleven.

-Het gesprek kan afgerond worden door iedereen een slotbedenking te laten formuleren vanuit een rol die men vrij kiest.

-Bij het beëindigen van het spel wordt aan de kinderen gevraagd hun rol(len) bewust af te leggen.

- Het begeleiden van zo'n spel lijkt eenvoudiger dan het in werkelijkheid is. Het gesprek op gang houden, nieuwe invalshoeken binnen brengen, vlotte overgangen maken, iedereen betrekken, degenen die het spel sterk naar zich toehalen wat afremmen zonder afbreuk aan de persoon te doen, de eigen denkbeelden op de achtergrond houden, zorgen dat het geen chaos wordt, dat de spelers in hun rol blijven en niet van persoon tot persoon gaan spreken, dat niet alleen gedachten worden geuit en argumenten worden gehanteerd maar dat ook belevingen, houdingen, wensen en handelingen ter sprake worden gebracht. Daarbij moet je zorgen dat je overzicht houdt en dat je aanvoelt of bepaalde situaties niet te beklemmend worden voor bepaalde deelnemers, dat je bepaalde rollen wat gaat ondersteunen door even mee te spelen of  hun argumenten aan te reiken zodat ze uit de verdrukking kunnen geraken...

 

Uitwisseling

-Na het gesprek is er een uitwisseling van ervaringen opgedaan tijdens het spel. Ervaringen met betrekking tot de belevingen tijdens het spel, m.b.t. de doelen van het spel en het inhoudelijk thema, m.b.t. de geassocieerde ervaringen uit het eigen concrete leven, m.b.t. de inzichten die t.a.v. de tekst en haar betekenissen werden opgedaan.

Volgende vragen kunnen daarbij een hulp zijn:  

- Wat is er aan bedenkingen, gevoelens, fantasieën tijdens het spel bij je opgekomen?

- Welke rol is er je het meest bijgebleven en waarom?

- Welke rol vond je het moeilijkste, het spannendste...?

- Hoe heb je het ervaren om in tegengestelde rollen terecht te komen?

- Welke relaties met je eigen leven herken je? Welke uitspraken zie je jezelf nog doen?

- Welke argumenten gebruik je vaak meer. Waar zie je die nog naar voor komen?

- Welke maatschappelijke situaties herken je in bepaalde spelsituaties?

- Welke waarden, gedragingen of houdingen vind je belangrijk voor onze samenleving.

- Kunnen we uit het spel iets leren voor onze omgang met de natuur?

 Meer informatie over  het begeleiden van de uitwisseling: >> Naar Begeleiden Uitwisseling

 

Afronding en bijbellezing

- Na de uitwisseling wordt nogmaals de bijbeltekst gelezen als afronding

en om de opgedane spel ervaringen er symbolisch als verrijking van de tekst aan te reiken.

- Het spel wordt beëindigd.  

Praktijkvoorbeeld voor de basisschool met videobeelden:  >>Naar Praktijkbeelden